Het werk van Geert De Smet is herkenbaar en bevreemdend tegelijkertijd. Het nodigt de toeschouwer uit zich te verbinden, zich in te leven in de op het eerste zicht lieflijke en ingetogen figuren, maar toont tegelijkertijd het vreemde, het bevreemdende van die ontmoeting.

De oorspronkelijk in plaaster opgebouwde en nadien in brons gegoten figuren zijn niet ‘”af”. Ze missen een arm, soms een voet, een gezicht. Ze zijn onvolledig en juist daardoor intrigerend. Hun gelaat lijkt wel door de tijd weggevaagd. De kunstenaar spreekt van een “archeologisch” karakter. Alsof de tijd zelf een hand in hun uiteindelijke voorkomen heeft gehad.

De houding van de uitgebeelde figuren is herkenbaar, invoelbaar. Maar tegelijkertijd zijn ze ongrijpbaar; er is het gevoel de uitbeeldingen niet helemaal te kunnen vatten. Dat wordt door hun formaat nog versterkt. De beelden zijn verkleiningen. Ze lijken autonoom en volgroeid, maar op kindermaat. Een vreemde twist, een gevoelig detail maken dat het ene beeld zich van het andere onderscheidt. Ze zijn mysterieus.

Het lijken voorbijgangers, uit een andere wereld, een andere tijd. Ze fascineren en bevreemden. Het is die dualiteit die ons op een po√ętische wijze getoond wordt in het werk van Geert De Smet. Er naar kijken is steeds opnieuw een uitnodiging te reflecteren over onze opvattingen hieromtrent.